Blog #33 Verdrinken of verzuipen

Ik had een rustige week.
Dat is een ander woord voor redelijk saai.

Elke maandagmiddag komt Elma, mijn huishoudelijke hulp. Ze werkt voor een bedrijf dat heet “Poetszorg: Poetsen met een praatje”. Ja echt waar. Aangezien ik uit de facilitaire wereld kom, in mijn vorige leven, is dat wel een benaming waar ik in het begin mijn wenkbrauwen bij optrok. Alleen al van het woord “poets” krijg ik kriebels. Nog steeds breek ik m’n hersens over de vraag wie in godsnaam zo’n naam verzint voor z’n eigen bedrijf, wil je serieus genomen worden in een branche dat vecht om elke klant en elke potentiële werknemer met als competentie: een hartslag hebben. En dat tegen een schamel loontje. Wat nou, leraar of verpleegkundige….

Maar inmiddels snap ik het een klein beetje. Dit bedrijf is gecontracteerd door de gemeente en beweegt zich in de sociale sector die ik kneuzen klanten noem. Net zoals ikzelf. Dat wil zeggen, klanten helpen in het huishouden, met bijvoorbeeld schoonmaken, maar ook opruimen of de vuilnis wegbrengen of helpen met koken. Net waar de behoefte van de klant ligt. En een praatje maken dus, als dat gewenst is. Best een leuk concept. Dus ik stel mijn mening positief bij. En met Elma heb ik geboft. Da’s een goeie. We zitten wel zo’n beetje op 1 lijn en ik ben blij met haar. Als ze om drie uur weer klaar is, is voor mij de dag eigenlijk wel weer om. Nog 4 dagen te vullen tot het weekend….

Op dinsdag heb ik ook een vaste agenda. Om 12 uur wil ik in het zwembad zijn. Voorheen was dat bij het revalidatiecentrum, maar daar ben ik eruit gegooid omdat zwemmen op kosten van de zorgverzekeraar maar een bepaalde periode wordt toegestaan. Vandaar dat ik met 5 euro op zak naar het plaatselijke zwembad toog, waar men een 25-meter bad heeft en een recreatiebad. Dat laatste heeft warmer water en dat geniet zwaar mijn voorkeur voor mijn lijf. Bovendien zitten in het 25-meterbad de fanatiekelingen die mij met een professionele borstcrawl om de oren vliegen.

Gelukkig mag ik, met mijn orthesen, gebruik maken van de ruime gehandicapten omkleedruimte. Daarna waggel ik naar het water. Het is een tijdstip waarop het officieel “baantjes zwemmen” heet, en er dus per definitie geen kinderen in je nek springen of gillende bommetjes worden gemaakt. Het is wel een kneuzen-uurtje. Herkenbaar aan de hoge gemiddelde leeftijd en traagheid van mijn medezwemmers. Toegegeven, ik ben zelf ook een kneus, maar ik begin me serieus af te vragen waar mijn leeftijdsgenoten uit de categorie kneus überhaupt zijn.

Maar ik geniet van de gewichtloze ervaring in het water, van het vrije bewegen zonder pijn en het bezig zijn. Ik heb een strak schema meegekregen van de revalidatie en heb me voorgenomen me daar aan te houden. Maar in het water bewegen is zo heerlijk dat het verleidelijk is om over m’n grens te gaan. Na mijn “verplichte” baantjes met elk een minuut rust ertussen, klim ik uit het bad en waggel naar een ander bad: het “rondje om naar buiten”. Guilty pleasure. Want dit rondje naar buiten heeft een stroomversnelling!

Voor mijn gevoel vlieg ik door het water, maar het vele bochtenwerk vraagt wel om coördinatie en kracht. Eenmaal door de vergeelde flappen gebeukt ben ik in de buitenlucht. In deze tijd van het jaar betekent dat een winderige kou om je hoofd. Ik kan niet wachten tot het voorjaar wordt. Na de korte adempauze en afnemende kracht “flap” ik weer in een stroomversnelling naar binnen. Mijn spieren hebben een ander idee dan mijn hersens, waardoor ik als een wokkelhalvedraai door het water zink. Tijd om eruit te gaan. Maar dat wil ik niet. Dus ik smokkel nog wat hangtijd in het water. Tot ik me realiseer dat m’n lijf echt protesteert en ik verstandig moet zijn. Ik sleep mezelf als lood uit het water en voetje voor voetje waggel ik weer naar het omkleedhok om vervolgens klungelig m’n broek achterstevoren aan te trekken. De concentratie is beneden peil. En de dinsdag is gedaan.

Dan houd ik nog drie dagen van de week over om te vullen. De woensdag is daarbij een soort verplichte rustdag door de paralympische zweminspanning van de dag ervoor. De donderdag en vrijdag zijn saai. Ik kom niet verder dan een beetje administratie doen en Netflix, of een kleine boodschap halen met de Hummer, mits het niet regent. Op vrijdag kijk ik uit naar het weekend waarin ik met Dirk samen ben. Ondertussen probeer ik te bedenken hoe ik mijn leven zinvoller kan maken, nuttig kan zijn, wat haalbaar is met mijn beperkingen. Iets wat vrijblijvend is, zonder verplichtingen, want ik weet dat ik ze vaak niet waar kan maken. En ik worstel nog met de dagen, voel me vaak van weinig nut. Het is een nieuw leven dat nog balans moet vinden, waarbij ik mezelf moet uitvinden. Er zijn allerlei georganiseerde clubjes en dagbestedingen voor kinderen met een beperking en voor dementerenden oudjes. Ik kan me haast niet voorstellen dat er niet meer 48-jarige kneuzen zijn. Waar zijn die dan?