Blog #27 Tiet zat

Daar zit ik weer eens. In het ziekenhuis. Op controle bij de MS-verpleegkundige.
 
De wachtruimte is vol. Allemaal “setjes” van mensen die verveeld om zich heen kijken of op hun telefoon. Ik ben ruim op tijd en bekijk de boel eens. De lino vloer mag wel eens een periodieke beurt en de transparante plexi wegwijzerbordjes aan het plafond hebben na een jaar nog steeds dezelfde methodefouten. Beroepsdeformatie. Niet doen Wenda….

 

Terwijl de meeste mensen zo zachtjes mogelijk praten, roept zo af en toe een dokter heel hard een naam door de gang. Dan veert er een “setje” op en in de meeste gevallen strompelt er een van hen richting het geluid. De polikliniek Neurologie heeft naast de vele neurologen ook aparte subafdelingen, voor bijvoorbeeld mensen met beroertes, hersenletsel of in mijn geval, Multiple Sclerose. En dat mengelmoesje zit allemaal door elkaar in de verschillende wachtruimtes. Ik ben tevreden over de poli. Heb nooit problemen ervaren met wachten of geholpen worden of vriendelijkheid.

De MS-verpleegkundige brengt een zojuist gesproken client terug naar de wachtruimte. De wat oudere dame schuifelt voetje voor voetje achter een rollator. “Ziet u de tafel wel?” vraagt de verpleegkundige bezorgd. “Ja natuurlijk wel”, reageert de dame vrolijk, en neemt plaats. “Hè hè”, zegt ze, “ik zit weer”.
Aangezien ik de verpleegkundige herken (als de mijne), en bij de dame klachten observeer zoals slecht lopen, slecht zicht en vermoeidheid, concludeer ik dat zij ook MS heeft. Een vreemd gevoel overvalt me. Ik ben hier op consult om over mijn beperkingen te praten, maar er zijn mensen die in een verder stadium van ms-progressie zitten en zo iemand zit nu voor me. Ik weet niet of ik nu blij moet zijn dat ik nog “zo goed” ben, of verdrietig omdat ik zojuist mijn voorland voorbij zie komen.

Tijd om erover na te denken krijg ik niet.

Naast mij zit een jonge vrouw. Ze zucht en voelt de behoefte mij te waarschuwen: “Ik weet niet met wie u een afspraak heeft” begint ze, “maar het loopt verschrikkelijk uit! Ik zit elke maand hier en ze zijn altijd te laat en dat is niet prettig als je een kind van anderhalf hebt die moet slapen!”.

In mijn hoofd start een analyserend proces om de zojuist verkregen informatie te ontleden. Dat roept vragen op die ik in gedachten probeer te ordenen: hoe láng zit je hier dan al ‘over tijd’, bij wie heb jij een afspraak, waarom kom je elke maand, waar is je kind nu dan, en slaapt die de hele dag dan? Wil ik dat eigenlijk wel weten? Nee dat wil ik niet. Mijn gedachten blokkeren.
Voor jullie “normaal denkende mensen zonder letsel” stelt de geschetste, tot nu toe monoloog, geen bal voor. Voor mij is dit een hersenactiviteit die me energie kost en soms een blokkade opwerpt. Willekeurig.
Tóch wil ik wel weten hoe lang de wachttijd voor haar is opgelopen en ik bereid me op het ergste antwoord voor. Dan zegt ze: “20 minuten zéker al hoor!”.
Van binnen lach ik een beetje, van buiten leef ik met haar mee. Kennelijk leeft deze jongevrouw nog in de ‘ratrace’ waar ik een jaar geleden uit gekukkeld ben. Haast-haast geen tijd te druk we-moeten-nog-vanalles. Ik moet niks meer snel. Want dat gaat toch niet meer. Net als de oudere slechtziende dame met haar rollator voor mij. Die overigens de aanwezigen opmontert ‘dat het allemaal niet meevalt maar het kan erger.’

En nét op dat moment komt mijn MS-verpleegkundige mij halen, 3 minuten te vroeg… De vrouw naast mij zucht…
De verpleegkundig specialist kijkt me vragend aan: “Zónder Dirk? Zonder rolstoel? Hoe ben je hier geraakt?”. Nou ehhh op m’n tandvlees?

 

Na afloop van het consult arriveer ik samen met de opgetrommelde toegesnelde gastvrouw-met-rolstoel in de centrale hal van het ziekenhuis. Mijn maag knort al een tijdje en ik besluit mezelf te trakteren op iets eetbaars, voordat ik de terugreis aanvaard. Ik heb immers geen haast om naar huis te gaan. “Tiet zat”. Te weinig verplichtingen en letterlijk geen hond (meer) die op me wacht.

Voor een, met te weinig appel gevulde flap, betaal ik 2,10 euro. Ik observeer de hal, die vol hangt met spandoeken die smeken om 5% loonsverhoging en meer personeel en een betere cao. Ik denk aan de oudere dame. ‘Het valt allemaal niet mee maar het kan erger.’

Mijn gedachten aan mijn eigen werkervaring gaan terug naar de diverse branches waarin ik heb gewerkt. Van gezondheidszorg tot schoonmaakbranche, van toerisme tot zware industrie en alles wat ertussen zit. Ik hou van het facilitaire vak. Maar zoals het er nu naar uit ziet, is mijn lichaam niet van plan om nog een cao te accepteren. Mijn lijf heeft een eigen willetje gekregen. Er zit een grillig monstertje in m’n hoofd. Zo eentje die zich niet aan de regeltjes houdt, maar elke dag een stukje van je leven wegsnoept. Soms met grote happen, meestal maar een klein knibbeltje. En daarom zit ik nu hier in het ziekenhuis. Omringd met mensen met ook een onzekere toekomst. En met een te dure appelflap.

Wenda